EU-burgers in voorlopige hechtenis (voorarrest)

EU-burgers in voorlopige hechtenis (voorarrest)

 

Voor veel mensen klinkt het als iets abstracts: voorlopige hechtenis. Toch is het een van de meest ingrijpende beslissingen die een rechter kan nemen. Iemand wordt immers vastgezet, terwijl nog niet vaststaat of die persoon schuldig is. Juist daarom gelden er strikte regels.

 

Wat is voorlopige hechtenis?

 

Voorlopige hechtenis betekent dat een verdachte al vóór de uitspraak van de rechter wordt vastgehouden. Dat mag niet zomaar. De wet stelt duidelijke grenzen.

 

Zo is voorlopige hechtenis alleen toegestaan bij bepaalde strafbare feiten. Denk aan:

 

· Feiten waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat, of

· Een aantal specifiek genoemde feiten, zoals bedreiging, mishandeling of vernieling.

 

Daarnaast moet er sprake zijn van “ernstige bezwaren”. Dat betekent dat er een stevige verdenking moet zijn dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Het gaat nog niet om keihard bewijs, maar het dossier moet wel voldoende aanknopingspunten bieden. Pas bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak gaat het erom dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting er voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

 

Wanneer mag iemand vast blijven zitten?

 

Zelfs als er een sterke verdenking is, mag iemand niet automatisch vast blijven zitten. Daarvoor moeten ook zogenoemde gronden aanwezig zijn.

 

De belangrijkste gronden zijn:

 

· Gevaar voor herhaling (bijvoorbeeld bij eerdere soortgelijke feiten),

· Risico op beïnvloeding van het onderzoek (zoals contact met getuigen),

· Ernst van het feit,

· Vluchtgevaar.

 

Met andere woorden: de vraag is niet alleen wat iemand mogelijk heeft gedaan, maar ook wat er kan gebeuren als diegene vrij rondloopt.

 

Schorsing: vrijheid onder voorwaarden

 

Voorlopige hechtenis is geen alles-of-niets verhaal. In veel gevallen kan de rechter besluiten de detentie te schorsen. Dat betekent dat de verdachte voorlopig vrijkomt, maar wel onder voorwaarden.

 

De rechter maakt daarbij een afweging:

 

· Weegt het belang van de verdachte om in vrijheid zijn proces af te wachten zwaarder,

· Of is het strafvorderlijk belang groter?

 

Persoonlijke omstandigheden spelen hierbij een belangrijke rol. Denk aan werk, een opleiding of zorgtaken binnen het gezin. Vaak worden er dan voorwaarden opgelegd, zoals een contactverbod, meldplicht of het dragen van een enkelband.

 

EU-burgers op achterstand

 

In theorie is het systeem helder. In de praktijk zien wij echter iets anders – vooral bij EU-burgers zonder woonadres in Nederland. Ook als iemand een vaste woonplaats heeft in een ander EU-land, wordt al snel

aangenomen dat er sprake is van vluchtgevaar. Het gevolg? Deze verdachten blijven vaker vastzitten, terwijl Nederlandse verdachten in vergelijkbare situaties wél naar huis mogen. Dat wringt. Het enkele feit dat iemand niet in Nederland woont, zou namelijk niet automatisch mogen leiden tot de conclusie dat hij of zij zal vluchten. Toch gebeurt dat regelmatig. Daarmee ontstaat een ongelijkheid die moeilijk te rechtvaardigen is – en die zelfs kan raken aan het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit.

 

Een vaak vergeten oplossing: Europees toezicht

 

Wat deze praktijk extra opvallend maakt, is dat er al jaren een oplossing bestaat maar helaas nog te weinig wordt benut. Het gaat om Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie, en de Nederlandse uitwerking daarvan in titel 7 van het Wetboek van Strafvordering.

 

Deze regeling maakt het mogelijk dat:

 

· De voorlopige hechtenis van de EU-burger onder voorwaarden wordt geschorst,

· Terwijl het toezicht wordt overgedragen aan de lidstaat waar de verdachte woont.

 

Met andere woorden: een EU-burger hoeft zijn proces niet in een Nederlandse cel af te wachten, maar kan dat doen in zijn eigen vertrouwde omgeving – onder toezicht van de autoriteiten in het thuisland.

 

Het doel van deze regeling is helder: het beschermen van fundamentele rechten (zoals vrijheid en gezinsleven), het waarborgen van proportionaliteit, en het terugdringen van onnodige voorlopige hechtenis. Daarmee sluit deze regeling mooi aan bij een belangrijk uitgangspunt in het strafrecht: voorlopige hechtenis is een ultimum remedium – een laatste redmiddel.

 

In dit verband kan ook worden gewezen naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin is overwogen dat een vrijheidsbeneming niet mag voortduren indien minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn. De juridische verplichting om alternatieven voor detentie te overwegen wordt ook bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

 

Waarom gebeurt dit nog te weinig?

 

Ondanks deze duidelijke wettelijke basis wordt er in de praktijk nog terughoudend gebruik van gemaakt. Een belangrijke reden hiervoor is dat veel mensen eenvoudigweg niet op de hoogte zijn van het bestaan van deze regeling. Dat is zonde. Niet alleen voor de verdachte, maar ook voor het vertrouwen in het rechtssysteem. Rechtspraak zou immers niet afhankelijk moeten zijn van iemands woonadres.

 

Tot slot

 

Voorlopige hechtenis is een zwaar middel, bedoeld voor uitzonderlijke situaties. Binnen de Europese Unie bestaan er goede alternatieven die recht doen aan zowel de belangen van justitie als die van de verdachte.

 

Het is daarom van groot belang dat deze mogelijkheden, zoals het Kaderbesluit en de nationale regeling, ook daadwerkelijk worden benut. Alleen dan kan worden gesproken van een eerlijk speelveld: voor iedereen, ongeacht waar hij of zij vandaan komt.

Nieuwsbrief

Scroll naar boven